badminton       

Klik hier om de ondertitel te bewerken

Spieren en Verbindingen 

Hoe wordt beweging mogelijk gemaakt voor badmintonnen?

De beenderen in het skelet zijn op verschillende manieren met elkaar verbonden. Beweging mogelijk te maken, zit tussen sommige beenderen een beweeglijke verbinding. 

Er zijn 4 manieren waarop beenderen met elkaar verbonden kunnen zijn:

1. vergroeid, wervels die met elkaar zijn vergroeid, kunnen nier bewegen. 
2. door een naad, ook hierbij is het beweging niet mogelijk. 

3. door kraakbeen, ook tussen de wervels zit kraakbeen. Doordat kraakbeen buigzaam is, is er een beetje beweging mogelijk.

4. door gewrichten, hierbij is veel beweging mogelijk. 

In je armen en benen zitten veel gewrichten, waardoor het bewegen dus heel makkelijk is. 




Gewrichten worden met 2 botten aan elkaar verbonden; gewrichtskogel en gewrichtskom. De gewrichtskogel kan bewegen in de gewrichtskom. Beiden zijn bedekt met kraakbeenlaagje. Door het kraakbeen kunnen de botten soepel bewegen. De botten  van een gewricht zitten met een gewrichtskapsel aan elkaar vast. Dit zorgt ervoor dat de botten op hun plaats blijven. De binnenkant van een gewrichtskapsel geeft gewrichtssmeer af, dit is een stroperige vloeistof die werkt als een soort smeervet. Ook door gewrichtssmeer kunnen botten soepel bewegen. Op de bovenstaande afbeelding zie je een doorsnede van een gewricht.

Bij veel gewrichten zitten stevige kapselbanden om het gewricht heen. Deze kapselbanden helpen mee de botten op hun plaats te houden. 


 

Er zijn 3 typen gewrichten: 


Kogelgewricht

Hier draait de gewrichtskogel van de ene bot in het gewrichtskom in het andere. 

Bij een kogelgewricht is beweging mogelijk in verschillende richtingen. 



rolgewricht 

Bij een rolgewricht draait het ene bot in de lengteas om het andere bot. 




scharniergewricht

Hier beweegt het ene bot ene bot als een scharnier ten opzichte van het andere bot. Hierbij kun je alleen een beweging heen en terug maken. Een draaiende beweging is niet mogelijk.  






Met je spieren beweeg je je lichaam. Al je spieren samen vormen je spierstelsel. 






Een spier zit met pezen aan beenderen vast. Om de sper heen ligt een laag bindweefsel: de sperschede. Het bindweefsel geeft een spier stevigheid. Aan de beide uiteinden van de spier gaat het bindweefsel van de spierschede over in de pezen. Een spier bestaat uit een aantal spierbundels. Elk spierbundel is ook omgeven door bindweefsel. Een spierbundel bestaat uit een aantal spiervezels. Elke spiervezel is ontstaan door samenstelling van spiercellen. Ze bevatten dus ook veel celkernen. 

Werking van een spier 


Impulsen worden via bewegingszenuwcellen naar spieren geleid. Door deze impulsen trekken spiervezels zich samen. Als een aantal spiervezels van een spier zich aantrekt, wordt de spier korter. Voor het samentrekken is energie nodig. Bij grote inspanningen trekken veel spiervezels samen. Er vindt dan veel verbranding plaats. Daarvoor zijn er veel voedingsstoffen en zuurstof nodig. 

De plaatst waar een pees aan een bot vastzit, heet de aanhechtingsplaats. Een pees kan zicht niet samentrekken een spier wel. Als een sper zich samentrekt, wordt de spier korter en dikker. De spier trekt dan de botten waar de spier aan vastzit naar elkaar toe. Zo ontstaat er beweging.